… er was eens ’t haringkot ( brief van buurtbewoner)

In 2012 kregen we van een sympathieke buurtbewoner (die tevens de volkstuintjes behouden wil zien) volgende brief toegestuurd die wat van zijn jeugd verhaalt en duidelijk maakt wat vroeger gaande was op de Warmoezeniersweg. Het is interessant de stedelijke en sociale ontwikkeling te volgen vanuit deze optiek:

6 maart 2012

Of ik het landhuis ken, vraagt H. me met een geheimzinnige glimlach op de lippen.

Ik ken een heleboel landhuizen maar denk niet spontaan in de gewenste richting.

Een klein geheugensteuntje doet wonderen.

Of ik “Het Landhuis” ken? Wat dacht je dan wel; ik kan er best een paar volle bladzijden over schrijven, dat is pure jeugdnostalgie.

Wij, Die daar in die omgeving onze jeugd sleten spreken niet van “het Landhuis”, wij houden het bij het “Haringkot”, en misschien klinkt dat degenererend maar het is nu eenmaal zo.

Bij de mensen van het zuidelijke deel van de Ottergemse steenweg en omgeving was het altijd al zo bekend, niet dat het een kot was maar ooit, voor de oorlog, moet daar een haringrokerij geweest zijn, Het lag immers goed gelegen aan de Schelde en van rookhinder was er toen bijlange geen sprake want het lag veraf van de bewoning, hoewel, over de Schelde was er Ledeberg maar daar was ook het kerkhof en vanuit die hoek kwamen toen zeker nog geen klachten. Daarbij, toen mocht dat nog een beetje rieken, dat duidde op welstand.

In een van die achterkoten, en er waren er nogal wat, zal het geweest zijn dat die rokerij haar bedrijvigheid uitoefende want vooraan stond, en staat nog steeds, een mooie woning met aanhangen.

Wij en in de volksmond spraken dus van “Het Haringkot” en daar kleefde meer dan een ferme portie geheimzinnigheid aan, van wie was dat? Misschien moet ik het eens in het stadsarchief gaan opzoeken op de oude kaarten.

Toen wij tussen 1948 (jaar van onze plechtige communie) en 1955 in onze vlegeljaren kwamen trokken we er met de bende gasten (kinderen, jongens) van de groenselboeren van de Ottergemsesteenweg er op zondagnamiddagen al eens naartoe, uit verveling of uit nieuwsgierigheid of ja, wat deden jonge gasten toen op een verloren zondagnamiddag?

Het complex stond toen al geruime tijd opgesloten en er viel geen leven in te bespeuren, er kwam daar bij ons weten ook nooit iemand. Uit de keren dat we er langs slopen vermoedden wij dat daarin wel hoogst interessante dingen stonden: Door de spleten van de poorten en afgedichte ramen hadden we wel iets dat op oude koetsen en veel koperwerk leek gezien maar wat was dat nu juist? Die geheimzinnigheid liet ons niet los en op een zondag was “Tsuule”, het haantje de voorste van de bende er toch binnen geraakt, bij de eerste beste gelegenheid mochten zijn vertrouwelingen, waaronder ik en mijn stoere broer, mee op verkenning.

Ik zat met een ferm ei op, was toen zeker niet die grote durver of voortrekker, meer een meeloper bij gebrek aan beter, om bij de groep grotere gasten te horen.

Ons moeder had het eens moeten te weet komen, er zou wat in de lucht gehangen hebben, de naaste omgeving van het Haringkot was ons immers door haar ten strengste verboden, laat staan er binnen dringen.

Het was er donker en benauwend en het ruikte muf, het was alsof er een permanente dreiging in de lucht hing, alsof plots iemand, gewapend uiteraard, vanachter een of ander obstakel te voorschijn zou springen en… ja, wat eigenlijk?

We vonden er inderdaad enkele koetsen en karren en ander “Spul van grote waarde” maar dat was het dan ook. Ik wilde liefst dat oord van geheimzinnigheid zo vlug als mogelijk verlaten maar de honger naar nieuwe ontdekkingen van Tsuule en co leek haast onblusbaar. Neen, het was niet meteen mijn plezierigste zondag, en we moesten het dan ook nog geheim houden voor ons moeder, we mochten ons niet verspreken. Bij Tsuule en zijn jonge broer Swoite stak dat thuis niet zo nauw en ze zouden er wel over opscheppen bij hun vader, dan zou onze expeditie al rap de ronde doen. Waar hadden we ons weer eens laten inluizen?

Ons vader had daar in die nabije omgeving een groot stuk land in huur waar hij groenten op verbouwde, dat was daar geen pretje want het was zware nukkige grond afkomstig van het baggerwerken van vele jaren vroeger in de Schelde, zeer vruchtbaar maar hard en koppig om te bewerken. Gemeenzaam werd dat stuk terrein tussen de spoorweg en de Schelde als “De Mirgel” omschreven, wellicht afkomstig van “Mergel” maar waarom men juist aan die vergelijkbare naam was gekomen weten we niet.

“De Mirgel”; het had iets Bijbels in zich, alsof het een vervloekt land was waar in een duister verleden een van de zondige of afvallige voorvaderen met hun nazaten naar verbannen waren. Neen, absoluut geen Hof van Eden noch het beloofde land van melk en honig tussen Tigris en Eufraat, hier verbogen naar Schelde en Leie.

We vervloekten die grond hartstondig om meerdere redenen want we moesten meehelpen, wroeten in de grond terwijl de stadsgasten konden rondlummelen op den dries. In de boerenstiel is ieder helpende hand welkom en nodig, zeker bij die kleine groenteboerkes van de stadsrand.

De notoire groentetelers haalden de neus voor op voor “De Mirgel”, daar vielen geen prijzen te winnen omdat je er niet de prestigieuze en populaire groentesoorten, en zeker niet de primeurs, kon kweken. Dat waren dan die groentesoorten waar de collega’s groenteboeren mee konden uitpakken op de vroegmarkt. Wij, mijn broer en ik, haatten dat stuk land, maar ons vader was een beetje een indringer die een paar generaties later was aangespoeld en nu moeizaam een plekje zocht onder de zon om zijn groenten te kweken, hij moest zich dus tevreden stellen met die verafgelegen akker bij de Schelde waar nooit iets te beleven viel.

Of hij er iets deftigs kon verbouwen? Ja hoor, schorseneren bijvoorbeeld, die deden het daar zeer goed maar met dat soort wintergroente daar haalde je geen aanzien mee bij de boeren en winkeliers, je deed dat erbij om de winters door te komen.

Maar die lap grond bezorgde ons (mijn broer en ik) nog wat tandengeknars en wrevel op: Vader was van huis uit een echte boerenzoon en geen groenteteler, hij wou zo graag ook een graangewas verbouwen en dat werd gezien die grond daar rogge. Rogge heeft bij ons de slechte gewoonte om zo tegen de Gentse feestweek pikrijp te zijn, voel je het al komen; Beide aankomende zonen hadden verlof dus… Bovendien waren de Gentse feesten toen ook nog je dat niet, dus trok de verzamelde familie richting Schelde en de Mirgel om het koren te pikken en al wat erbij hoorde. Weer eens een vakantiedag die in rook opging. Ach, wat hebben we dit veld vervloekt en gehaat.

Maar het voorgaande terzijde gelaten en nu terug naar het Landhuis, zeg maar ‘t Haringkot.

Die akker van vader lag er op ongeveer 100 a 200 meter vandaan en het complex was voor ons, van buitenuit bekeken, lang geen onbekende. Het stond op en in wat je kunt omschrijven als het Siberië van Gent, er was noch elektriciteit, gas, water of telefoon, hoe kon je daar overleven!

Enfin, plots was er leven gekomen in het haringkot; een dokter van “den boulevard” had er zijn “lief” in gestoken, een mooie relatief jonge vriendelijke vrouw, hij had er met al zijn geld een elektriciteitsleiding en een telefoonverbinding naartoe laten trekken om haar van enig eigentijds comfort te voorzien. Ze woonde daar moederziel alleen, ver van de wereld in dat aartsdonker gat. Ik zou het niet durven, zei de verzameling buurtvrouwen en ze meenden het, de mannen knikten goedkeurend.

Die vrouw had weinig omgang met de rest van de steenweg en de wijk, de dokter kwam haar halen en terugbrengen en zij sleet er haar dagen op een mannier waarvan we niets afwisten, en dat prikkelde.

Mijn vader had er toch contact mee gelegd, tenslotte was ze geen opgesloten kloosternon en maakte ze graag eens een praatje met hem en een paar andere die daar ook het land temden. Komt goed uit, zei vader, want zijn paard moest immers wat bekomen van het harde labeur bij het trekken van de ploeg, zo waren ze in gesprek geraakt.

Maar Vader turnde in de loop van de jaren om tot kiekenslachter, het UZ, de groothandelsmarkt, de Sidac, de ringvaart, de verbrandingsoven en andere Monsanto’s hadden in hun uitbreidingsdrift geregeld ferme stukken uit de landerijen gehapt en er waren al enkele boerkes die naar de fabriek waren getrokken, niet meer te overleven als groentekweker, dus zocht ook vader naar iets anders waar meer mee te verdienen viel daar aan de rand van de grote stad. “kiekens eten” evolueerde van rijke mensenkost en spijs voor hoogdagen naar een zondaagse traditie bij de betere verdiener aan de zuidelijke stadsrand; Vers van het erf naar de pan was de leuze en het handeltje van onze ouders sloeg aan.

En je raadt het al, die geheimzinnige vrouw werd een van onze trouwste cliënten, wekelijks ging ik er een ferme kip afleveren, klaar voor de pan en levende vers. Soms ging vader eens met de kip, maar vaak was ik de “commisionaris” zoals dat heet en zo geraakte ook ik in gesprek met die vrouw.

Ik had er mooie lange gesprekken mee, het was een charmante vriendelijke dame, die weet had van wat zich in de wereld afspeelde maar gezien de tijd van toen en onze achtergrond beschouwden we ze een beetje als een zondares, ze was nooit in de kerk te zien en ze “hoedelde” samen met “dienen dokteur”, dat was een niet te nemen hindernis voor het grootste deel van de wijk.

Ik groeide op in eer en deugd en vond een lief aan de andere kant van de stad, ging op vrijersvoeten en trouwde, het haringkot met zijn bewoonster verdween uit mijn beeld.

Amper een 4 tal jaren later verdwenen de akkers vanaf het punt waar nu dat groot bureelcomplex staat aan de moutstraat tot aan het haringkot, de metamorfose was totaal nadat men er met groot en zwaar materiaal koortsachtig gewerkt had bij de aanleg van de E 3, nu E 17, die Rijsel met Antwerpen moest verbinden. Alles wat aan die velden en akkers en omgeving herinnerde verdween in een zeer korte tijd. Nadat de werken er voltooid waren had voetbalclub AA Gent zijn oog op wat ervan overbleef laten vallen en bouwden ze er hun oefencomplex uit.

Waar wij en anderen gezwoegd en gezweet hadden daar werken nu andere jonge gasten en mannen, vaak uit verre landen en met vreemde namen, zich op hun manier in het zweet om de eer van de club, de stad en zichzelf op te tillen.

Toen ik er een paar jaar geleden nog eens langsfietste en er even halt hield dacht ik aan de tijd van toen. De hete zomernamiddagen van stilte met het wieden van onkruid dat er zo welig tierde en gedijde, met helpen bij planten en oogsten. De snelweg en een aftakking naar het stadscentrum zorgen er nu voor een onophoudelijke bron van lawaai daar waar het er vroeger zo stil was, de boten op de Schelde en de Scheepswerf van Isidoor Manil aan de overkant met zijn koortsachtige bedrijvigheid zijn al lang verdwenen, de werf naar een lageloonland en de boten varen nu via de kortere weg over de ringvaart en laten dit stuk van de Schelde links liggen.

Maar dat geheimzinnige gebouw staat er nog, al lijkt het einde nu nabij te zijn. Eens je onder de snelweg door bent staat het er nog parmantig, daar begint nog steeds een stuk van ons Gentse Siberië en als je je oren even afschermt waan je je even in een andere wereld.

Iets verderop is de beschaving er even terug; daar ligt de ijsschaatsbaan verloren te liggen, en daar tussen het landhuis en de Kristallijn wil met op dat stuk vergeten land voetbalvelden aanleggen, tot meerder eer en glorie van “den Agee” (AA Gent).

Zal wel moeten, troosten we onszelf, als we die van Brugge eronder willen houden, het zal niet alleen van dat nieuw stadion komen dat iets verderop uit de grond verrijst. Den Agee heeft nood aan oefenterreinen, vraag het maar eens aan die van “Den Anderlecht”. En à propos; na de verhuis over goed een jaar willen ze dichter bij het stadion zitten om te trainen en kan de stad de oude terreinen in Gentbrugge wel tegen grof geld verkavelen.

De gronden rond het haringkot? Ja, die van de adellijke familie Delbeque, een Gentse textielbaron, het was daar allemaal van hen, gans die zuidkant van Gent, of toch bijna. Ze hadden er een van hun kastelen, “Chateau Terlack”, er hangt nog een schilderij ervan in ons bete plaatse, daar waar nu de snelweg nu middendoor loopt en een stukje bos er nog een overblijfsel van is, daar was het gelegen en daar was het dat vader er na de oorlog 5 a 6 jaar lang hovenier, zeg maar lijfeigene was.

De Delbeque’s; die hadden een rentmeester want alle boeren pachtten van hen en met het innen van de pacht hielden ze zich niet bezig, we beschouwden hem, trouwens volledig onterecht, een beetje als een tollenaar uit het evangelie. het was daar al van hen maar we zagen hen nooit, men sprak erover in een mengeling van misprijzen en onderdanigheid, maar wij die er ietsje dichter bij stonden (vader en moeder waren er hovenier klusjesman en hulp in de kasteelkeuken) hadden een meer genuanceerd beeld van hen, er stak wel een vorm van sociaal gevoel en handelen in die “rijke soort”, maar dat is een ander verhaal.

De nazaten in de zoveelste lijn zijn nu aan de kassa gepasseerd en ik denk dat daar aan de Ottergemse steenweg en omgeving nu niets meer van dat landimperium overblijft. De stad heeft de laatste stukken verworven en broedt er nu op snode plannen. Wat wordt het, haalt de rede het op de romantiek of wordt het koele nuchterheid van ons Christofke?

Maar zeg nu zelf;

Zo een paradijselijke verzameling van moestuintjes aan de stadsrand.

Het laatste verscholen paradijsje.

Een oase om naartoe te trekken en tot rust te komen.

Een zegen voor geest en lichaam voor de stedeling.

Zou dat kleine stukje volks vermaak nu vloeken tussen die voetballende jonge gastjes?

Is dit niet een troefkaart die je zomaar uit je mouw schudt?

Is er daar geen groene jongen die er verkiezingswinst inziet?

En wat met onze Turkse medemens die o zo graag wat groenten kweekt en zo een goede buur wordt?

Wenkt daar niet een mooi en aangenaam fietspad dat ons naar “Den Agee” kan brengen?

Ja hé, meneer de Schepen.

Werp er dus maar een voetgangers-fietsbrug over de Schelde zodat we die van de overkant een hand kunnen schudden.

Ik moet er dus dringend eens heen, op een zonnige dag om het nog eens vanuit alle hoeken te fotograferen, het aan te voelen, nu het nog net kan.

“(Naam bekend bij de redactie)”

een van de geestelijke erfgenamen van “het Haringkot”.

sorry, “Het landhuis”

Advertenties

2 thoughts on “… er was eens ’t haringkot ( brief van buurtbewoner)

  1. Aanvulling; mijn vader geboren op de zwijnaarsesteenweg en telg vd liften firma was ook een liefhebber vd de haringputten.
    Bij mijn weten stond daar maar 1 koets , na vertrek van de erfgename dr Pauwels is er een
    vaste bewoner geweest n.m een verantwoordelijke van Home Prins Albert Luc B.
    Het was leuk dit alles te lezen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s